woordroof
Dinsdag 18 Januari 2005 in categorie Klein Proza

Blijft over de intrigerende vraag waarom iemand zoiets doet. Vroeg of laat komt het altijd uit. Een van de bekendste gevallen van plagiaat levert natuurlijk René Diekstra, die zonder bronvermelding het nodige pikte uit het werk van collega’s. Jeroen Brouwers werd door een Belgische krant aan de schandpaal genageld omdat zijn debuutroman verdacht veel gelijkenis vertoonde met een ongepubliceerd manuscript van Dirk de Witte. Brouwers had het als redacteur van een uitgeverij echter wèl onder ogen had gehad en nota bene ook nog afgewezen.
Joost Zwagerman vindt het gedoe over plagiaat in de literatuur daarentegen maar overdreven. In een interview met de nieuwsbrief van de Leidse letterenfaculteit zegt hij: “Waarom zou je zelf iets gaan schrijven dat door anderen vele malen beter is geschreven? Ik ben zelf een literaire dief en vele schrijvers met mij.”
Die Zwagerman moeten we dus een beetje in de gaten houden.
Volgens mij zijn de overschrijvers op enig moment bezweken onder een grote psychische druk, de martelende verplichting om op tijd iets af te leveren. Een roman, een scriptie, een artikel, een column. De deadline is nog maar een paar uurtjes verderop, maar ze hebben nog niets. Zoiets zal het zijn. Ik geloof niet echt in luiheid of gemakzucht.
Maar ik heb al weer veel te veel gezegd. Ik had hier nog heel diep willen theoretiseren en analyseren over het verschijnsel plagiaat. Maar ik realiseer mij ineens dat elk woord dat ik hier opschrijf iemand anders er weer toe kan brengen zich dit stukje wederrechtelijk toe te eigenen. Straks word ik dan nog beschuldigd van regelrechte uitlokking!
Nr. 65 | publicatiedatum 8-1-2005 | vorige opspraak-columns
Tweet |